Bestuurder en programma

Al eerder heb ik aandacht besteed aan de rol van de bestuurder in een programma (zie: Weg met de opdrachtgever en Stijl). Vandaag heb ik met een wethouder en een burgemeester over hun rol gesproken. De eis van één opdrachtgever per programma is moeilijk te handhaven: er is bij veel gemeenten sprake van collegiaal bestuur. Dus besluiten worden altijd door B&W genomen en niet door individuele wethouders. Dat is anders bij het kabinet: daar is de individuele minister wel degelijk bevoegd besluiten te nemen namens de Staat; zijjn verantwoordleijkheid is zelfs in de Grondwet vastgelegd (zie ook: Grondwet). Wel wordt in veel programma’s en projecten één wethouder aangewezen als “project- of programmawethouder”. Dit betekent dan dat hij/zij zorgt voor een geïntegreerde voorbereiding van het te nemen besluit door het college van B&W.

Collegiale verantwoordelijkheid

Je vraagt je af hoe die collegiale verantwoordelijkheid doorwerkt. Wat doe je als de programmawethouder sterk voor het besluit is dat onder zijn verantwoordelijkheid is voorbereid, maar de rest van het college wil iets anders. Gaat dan die ene wethouder dat hem niet welgevallige besluit uitvoeren? Kan dat van hem/haar verwacht worden? En als het college juist om die reden toch telkens de lijn van de programmawethouder volgt, heb ik dan niet toch geen collectieve, maar een individuele verantwoordelijkheid? Materieel wel. Het is dus goed als de programmamanager in de gaten heeft hoe de hazen op politiek niveau lopen.

Tevens dient hij/zij te weten hoe de bestuurder naar programmamangement kijkt. Van de burgemeester en wethouder krijg ik het gevoel dat het ze niet uitmaakt hoe je het aanpakt, als het maar resultaat oplevert. Zij verhalen hoe ze na drie jaar wachten op een actie rond de ontwikkeling van een gebied, zelf de knoop hebben doorgehakt en één programmaleider hebben aangewezen. Zij erkennen dat ze zich hier liever niet mee bemoeid hadden, maar de algemeen directeur en de afdelingshoofden lieten hen geen keuze. Deze bestuurders willen ervan uit gaan dat de ambtelijke organisatie dergelijke klussen goed kunnen aanpakken, en dat ze het vermogen hebben fouten zelf te herstellen. De betreffende wethouder zegt: “Ik heb niets te doen in het dagelijks aansturen van mensen.” In dezelfde adem voegt hij eraan toe: “Ik loop wel drie keer per dag over de gangen rond en vraag aan de programmaleiders hoe het gaat. Dat is interesse en belangstelling tonen. Dat heeft een programma nodig.” Toch gaat er een dubbel signaal uit van deze handelingen: drie keer per dag over de gang lopen kan ook wel degelijk als “sturing” worden ervaren en niet als neutrale belangstelling. Geen wonder dat de betreffende programmaleider deze wethouder als de “echte” opdrachtgever zag en rechtstreeks met hem ging communiceren. Ik zou zeggen dat de ambtelijk opdrachtgever, de bestuurder en de programmaleider met elkaar om tafel moeten gaan zitten om de wederzijdse verwachtingen uit te wisselen en vast te stellen hoe de lijnen precies zouden moeten lopen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.